028. Bijbelstudie over
MELCHISEDEK
- MAL’KI-TZEDEQ
qdj9yklm
In de Parasha !l9!l Lech-L’cha komen wij een
heel opmerkelijke Pasuq tegen: “En Mal’ki-Tzedeq [Melchisedek], de koning van Shalem, bracht brood en
wijn; hij nu was een priester van El El’yon [G’d, de Allerhoogste]. En hij zegende hem en zeide:
‘Gezegend zij Av’ram [Abram] door G’d, de Allerhoogste, de Schepper van hemel
en aarde, en geprezen zij G’d, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht
heeft overgeleverd!’ En hij gaf hem van alles de tienden.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 14:18-20). Het lezen van dit Schriftgedeelte roept toch wel een aantal vragen op,
want op het eerste gezicht lijkt het erop alsof deze Pasuq
later in de context tussengevoegd is, want vers 21 sluit namelijk naadloos aan
bij vers 17. Kijk zelf, ik zal de verzen 14 t/m 17 en dan 21 t/m 24 nu even
citeren onder weglating van het tussenliggende gedeelte en dan mag u zelf
beoordelen of het wel of niet opvalt dat er een heel stuk tussenuit gehaald is:
“Toen Av’ram hoorde, dat zijn broeder als
gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden, degenen die in zijn huis
geboren waren, in de strijd, driehonderdachttien man, en achtervolgde hen tot Dan toe. En zij verdeelden zich des nachts tegen hen
in troepen, hij en zijn knechten, en versloegen hen en achtervolgden hen tot Chova toe, dat ten noorden van Damascus ligt. En hij bracht al de have terug, en
ook zijn broeder Lot en diens have bracht hij
terug, evenals de vrouwen en het volk. Toen ging de koning van S’dom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was
van het verslaan van K’dorla’omer en de
koningen die met hem waren, naar het dal Shave,
dat is het Koningsdal. De koning van S’dom nu
zeide tot Av’ram: ‘Geef mij de mensen, en
behoud de have voor u.’ Doch Av’ram zeide tot
de koning van S’dom: ‘Ik zweer bij de Eeuwige,
bij G’d, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde: Zelfs geen draad of
schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik
heb Av’ram rijk gemaakt! Geenszins, alleen wat
de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen, die met mij gegaan zijn,
Aner, Esh’kol
en Mam’re, laten die hun aandeel ontvangen.”
Ziet u wat ik bedoel? Nadat Av’ram zijn
vijanden verslagen had ging de koning van S’dom
hem samen met zijn bondgenoten tegemoet naar het Koningsdal en daar zei de
koning van S’dom tegen Av’ram
dat hij slechts zijn onderdanen terug wil hebben die Av’ram
bevrijd had, maar dat Av’ram de materiële buit
mag houden. In deze context past de ontmoeting met Mal’ki-Tzedeq
helemaal niet. Om dit toch te verklaren kunnen we drie kanten op: óf deze ontmoeting heeft nog plaats
gevonden vóórdat de koning
van S’dom bij Av’ram
was gekomen, maar in dat geval had het meteen na vers 16 vermeld moeten worden
en niet na vers 17, óf de ontmoeting met de koning van Shalem
had wel in het Koningsdal plaats gevonden in bijzijn van de koning van S’dom, maar in dat geval zou de indruk gewekt kunnen
worden dat Mal’ki-Tzedeq één van de koningen
geweest zou zijn, die samen met de koning van S’dom
waren gekomen en dat lijkt mij niet aannemelijk. Bovendien zou het ook niet
logisch geweest zijn dat Av’ram eerst de tiende
van de buit aan de koning van Shalem zou geven
en vervolgens tegen de koning van S’dom zou
zeggen dat die juist de hele buit mocht hebben. Av’ram
noemde de buit immers ‘het uwe’ en hij zou nooit de tienden van iets geven wat
volgens zijn eigen woorden niet van hem was. Wie was deze mysterieuze
priesterkoning? Was hij wel een gewoon mens, die toevallig op het toneel
verscheen? Ik denk van niet! De enige logische verklaring lijkt mij dat deze
ontmoeting van bovennatuurlijke aard was, een soort geestelijk intermezzo alsof
de tijd even stil stond, waarvan de koning van S’dom
en zijn begeleiders geen getuigen waren en dat Mal’ki-Tzedeq
geen mens van vlees en bloed was. Maar daarover zijn de meningen uiteraard zeer
verdeeld.
Reeds duizenden jaren lang houdt de vraag naar
de ware identiteit van Mal’ki-Tzedeq ontelbare
schriftuitleggers bezig. Velen hebben zich afgevraagd wie deze koning was, en
waar Shalem lag. Volgens een oude overlevering
van Hiëronymus zou met Shalem, dat in de christelijke vertalingen steeds Salem genoemd
wordt, het stadje Saleim ofwel Salumias bedoeld zijn, dat 8 Romeinse mijlen ten
zuiden van Scythopolis in het Jordaandal
gelegen was en waarmee Eusebius het ook in ]nxvy Yochanan [Johannes] 3:23 genoemde Salim
vereenzelvigde. Deze opvatting lijkt mij echter hoogst onwaarschijnlijk omdat
er in het Jordaandal nooit een weg is geweest, die voor een leger of grote
menigte geschikt was en daarom kan ik me niet voorstellen dat Av’ram langs deze weg naar S’dom
getrokken zou zijn met zijn 318 knechten en al de gevangenen die hij bevrijd
had. Ik denk daarom dat wij met de aanduiding ‘Salem’ eerder aan Jerusalem
moeten denken dan aan Salim en met de aanduiding
‘Koningsdal’ eerder aan het Kidrondal in de buurt van Jeruzalem moeten denken
dan aan het Jordaandal, en wel om twee redenen: ten eerste omdat het Kidrondal
volgens (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 18:18 nog in de dagen van David
‘Koningsdal’ genoemd werd en ten tweede omdat Salem of beter gezegd ,l> Shalem ook volgens Psalm 76:3 een oude
benaming voor Jeruzalem blijkt te zijn. Daar komt nog bij dat Salem als
de residentie van een koning een belangrijke en bekende stad geweest zou moeten
zijn, wat met het genoemde Salim in
tegenstelling tot Jeruzalem helemaal niet het geval was. Dus op zich lijkt het mij niet moeilijk om de
juiste locatie van Salem en het Koningsdal te achterhalen, maar de vraag
omtrent de ware identiteit van Mal’ki-Tzedeq zelf is wel wat lastiger. Het spreekt
vanzelf, dat hij van oudsher als een waarlijk groot man is gehuldigd, en dat
zijn plotseling verschijnen aanleiding heeft gegeven tot allerlei avontuurlijke
gissingen. Op de
speurtocht naar de persoon achter de naam doen de vreemdste verhalen en
veronderstellingen de ronde. Volgens sommige bronnen zou hij een Kanaänitische
vorst geweest zijn, die echter wel de ware G’d diende. Sommige christelijke
geleerden hielden hem echter voor Henoch of Cham. Geloof het of
niet, ik kwam zelfs diverse websites tegen waarop Mal’ki-Tzedeq afkomstig zou zijn van Atlantis. Volgens een andere website was hij vrijwel zeker een god
uit de dynastie van Enlil. Origenes
en Didymus hielden hem voor een engel, anderen
dachten zelfs zeker te weten dat Mal’ki-Tzedeq de aartsengel Micha’el zou zijn. Er zijn zelfs
pseudo-wetenschappelijke websites die beweren dat hij een buitenaards wezen was
dat met een UFO op aarde gekomen was. Weer een andere visie vinden wij in
het uit de 5de of 6de eeuw afkomstige "Christliche Adambuch des
Morgenlandes", dat door Dillmann vanuit het Ethiopisch in het Duits
vertaald werd. Volgens dit boek is Mal’ki-Tzedeq een zoon van Qeinan
[Kenan], die de kleinzoon van Shem [Sem] was
(Lucas 3:36), en door G’d aangesteld als eeuwig levende priester in het
middelpunt der aarde, en dat is dus Jeruzalem. De rabbijnen en de meeste Joodse
schriftgeleerden daarentegen zijn tot op heden van mening dat Mal’ki-Tzedeq niemand anders
dan Shem was, de zoon van Noach die volgens de Bijbelse chronologie Av’raham’s komst in K’na’an
[Kanaän] zelfs nog 135 jaren overleefd zal hebben. Maar dit lijkt mij helemaal niet
waarschijnlijk, want waarom zou dan opeens zijn naam van Shem [hetgeen letterlijk
‘naam’ betekent) in Mal’ki-Tzedeq veranderd zijn? Als Shem, die een directe voorvader en dus bloedverwant van Av’raham was, daadwerkelijk dezelfde persoon als Mal’ki-Tzedeq geweest zou zijn, dan
zou de schrijver van de Tora
dit niet onbelangrijke detail toch zeker niet verzwegen hebben? Tenminste, als
hij dat had geweten. Toch hoe wil men het dan verklaren dat de latere rabbijnen
daar wel van op de hoogte geweest zouden zijn terwijl Moshe, die een rechtstreekse relatie met
de Eeuwige had, die volgens tvm> Sh’mot [Exodus] 33:11 met hem van aangezicht tot aangezicht sprak
zoals iemand spreekt met zijn vriend, en deze belangrijke informatie derhalve
uit eerste hand had kunnen ontvangen, daar niets van afwist? Dat lijkt mij niet
logisch. Daar komt nog bij dat Mal’ki-Tzedeq in het geval dat hij identiek zou zijn aan Shem dan wel degelijk een
voorgeslacht gehad zou hebben terwijl dit in de brief aan de Hebreeën
nadrukkelijk ontkend wordt. Een ander argument om de identificatie met Shem in twijfel te trekken
is de vraag wat Shem
dan in K’na’an [Kanaän] te zoeken had.
Hoe kwam hij gevestigd in K’na’an? Als het
inderdaad G’ds bedoeling zou zijn geweest om hem vanuit Messopotamië naar het
beloofde land te sturen, dan zou het toch overbodig geweest zijn om dezelfde
opdracht ook aan zijn nazaat Av’ram te geven.
In elk geval zou de Tora dat wel vermeld
hebben, wat dus niet het geval is. En dan zijn er nog twee vraagtekens. Ten
eerste gaf Av’ram aan Mal’ki-Tzedeq
de tienden van alles, hetgeen een duidelijke rangorde aangeeft, toch uit geen
enkele tekst blijkt dat Shem, de zoon van Noach, door de Eeuwige hoger geplaatst zou zijn dan
onze aartsvader Av’raham, die door G’d zelf
Zijn vriend genoemd werd (Jes. 40:8, II Kron. 20:7 en Jac. 2:23). Ook vinden
wij in de hele TeNaCH geen enkele aanwijzing
dat Shem een priester, laat staan een koning,
geweest zou zijn. Een priester is een bemiddelaar tussen de mens en zijn
Schepper en Shem wordt nergens als zodanig
beschreven. Tussen haakjes: in de Pasuq over Mal’ki-Tzedeq wordt het woord ‘priester’ ofwel ]hvk Kohen überhaupt pas voor het eerst genoemd, niet eerder. Van Shem bericht de Heilige Schrift ons slechts, dat hij
om zijn piëteit jegens zijn vader door Noach
gezegend werd (ty>arb B’reshit [Genesis] 9:20-27). Daarna wordt hij alleen
nog maar in geslachtsregisters vermeld. Bovendien lijkt het me niet erg
aannemelijk dat Adonai hem als Hebreeër
aangesteld zou hebben als koning over een toen nog heidense stad, en juist
omdat Jeruzalem toen nog een heidense stad was en dus verre van heilig ben ik
van mening dat we met “Salem” eerder moeten denken aan het hemelse Jeruzalem.
De rabbijnse visie die Mal’ki-Tzedeq met Shem, de zoon van Noach
identificeert, moet ik derhalve nadrukkelijk afwijzen omdat zij op mij erg
ongeloofwaardig overkomt. De meest hardnekkige
opvatting in christelijke kringen daarentegen is tot nu toe, dat Mal’ki-Tzedeq slechts een
beeld ofwel een type van de Mashiach zou zijn, toch ook niet meer dan dat. Persoonlijk denk ik
daar heel anders over, maar daar ga ik straks nader op in. In elk geval blijven
de drie verzen uit ty>arb B’reshit [Genesis] 14 reeds vele eeuwen lang
ontelbare gelovigen bezig houden. Dat is de enige informatie die de Tora ons geeft
en verder weten we niets over Mal’ki-Tzedeq,
niets over zijn voorgeslacht, niets over zijn nageslacht, niets over zijn
overlijden en niets over een overdracht van zijn priesterschap. Na deze luttele
drie verzen vernemen we helemaal niets meer over Mal’ki-Tzedeq
totdat David haMelech
hem ruim duizend jaar later opeens weer vermeld in ,ylht
Tehilim [Psalmen]
110:4, waarin hij het over een koning heeft die vanuit Tziyon zal regeren en die tegelijkertijd ook priester
zal zijn naar de wijze van Mal’ki-Tzedeq.
Wat zou hij daarmee bedoelen? Laten we deze psalm derhalve maar eens goed
bekijken:
“Aldus luidt het woord van Adonai tot mijn Heer: Zet U aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten. De Eeuwige
strekt van Tziyon Uw machtige scepter uit:
heers te midden van Uw vijanden. Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van
Uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw
Uwer jonge mannen voor U op. De Eeuwige heeft gezworen en het berouwt Hem niet:
Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Mal’ki-Tzedeq.
De Eeuwige is aan Uw rechterhand. Hij verplettert koningen ten dage van Zijn
toorn; Hij houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op, verplettert
hoofden op het wijde veld. Hij drinkt onderweg uit de beek; daarom heft Hij het
hoofd op.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 110:1-7). Het eerste wat mij hierbij opvalt is dat de Eeuwige in vers 1 tegen deze
priesterkoning zegt: “Zet U aan Mijn rechterhand” en vervolgens lezen we
in vers 5: “De Eeuwige is aan Uw rechterhand”. Vindt u dat niet
verwarrend? Wie zit er nu aan de rechterhand, de Eeuwige of deze
priesterkoning? Zijn ze beiden opeens van plaats verwisseld? Zou een mens van
vlees en bloed het recht hebben om zomaar op G’ds troon te mogen zitten? Zou de
Eeuwige zomaar Zijn plaats op de troon afstaan aan één van Zijn eigen
schepselen? Ik denk van niet, en daarom ben ik ervan overtuigd dat deze
priesterkoning geen mens kan zijn, maar niemand anders dan de Mashiach zelf is! Maar wat bedoelt David nou met het zinnetje: “Gij zijt
priester voor eeuwig, naar de wijze van Mal’ki-Tzedeq”
en wat is de overeenkomst tussen de Mashiach en Mal’ki-Tzedeq? Wel, ten eerste staat hier niet: “Gij
wordt”, maar “Gij zijt”, dus Hij wordt het niet, maar Hij was het
al, dat wil zeggen: Zijn priesterschap had geen begin en ook geen einde, want
Hij is priester voor eeuwig. Door de toevoeging “naar de wijze van Mal’ki-Tzedeq“ geeft David
aan dat ook deze priester voor eeuwig was en is. Kan een mens van vlees en
bloed een eeuwig priesterschap bekleden? Neen, want hij zou toch eerst een keer
geboren en later gestorven moeten zijn en dan kan er geen sprake zijn van een
eeuwig priesterschap. Zelfs als hij na zijn dood vanwege zijn geloof en goede
levenswandel het eeuwig leven ontvangen zou hebben of helemaal niet gestorven
zou zijn omdat hij evenals Eliyahu [Elia] in de
hemel opgenomen zou zijn, dan noch is er geen sprake van een eeuwig
priesterschap omdat hij toch eerst geboren moet zijn. Maar als Mal’ki-Tzedeq helemaal niet geboren werd en nooit
gestorven is, dan is hij geen mens; maar een engel kan hij ook niet zijn, want
engelen hebben geen priestertaak, dus blijft er voor mij slechts één conclusie
over: Mal’ki-Tzedeq en Yeshua
zijn één en dezelfde persoon!
Doelende op deze passage in Psalm 110 fungeert Mal’ki-Tzedeq
reeds in de Dode-Zeerollen als Verlosser en Rechter en wordt als zodanig met Mashiach de geïdentificeerd. Vele eeuwen later paste
de schrijver van de Hebreeënbrief derhalve ook zeer terecht toe op Yeshua: “Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij
gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit
de dood kon redden, en Hij is verhoord uit Zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel
Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en
toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een
oorzaak van eeuwig heil geworden, door G’d aangesproken als hogepriester
naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq. Hierover hebben wij veel te
zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in
het horen.” (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 5:7-11). Het is inderdaad moeilijk uit te leggen aan de
Joden wat de ordening van Mal’ki-Tzedeq precies
inhoudt, want Zijn priesterschap verschilt immers enorm van het levitische
priesterschap, met name door het feit dat hij zowel koning alsook priester was,
want in Israël was deze combinatie namelijk in principe niet mogelijk. Het
priesterschap was immers voorbehouden aan de stam Levi
terwijl de koningen allen uit de stam Yehuda
[Juda] voortkwamen. De combinatie koning-priester kon volgens de
voorschriften van de Tora in Israël niet
voorkomen omdat de voorrechten van deze beide stammen strikt gescheiden waren.
In de ordening van Mal’ki-Tzedeq speelt afkomst echter geen enkele
rol, want het is een eeuwig priesterschap, dat van een veel hogere waarde is
dan het vergankelijke priesterschap van Aharon
[Aäron] en zijn zonen. Daarom is er ook sprake van een koninklijk
priesterschap. Deze hogepriester is echter niet zomaar een koning, Hij is de
Koning der koningen! “Daarom heeft G’d, toen Hij des te nadrukkelijker aan
de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van Zijn raad wilde doen blijken,
Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het
onmogelijk is, dat G’d liegen zou, wij, die tot Hem de toevlucht genomen hebben,
een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons
ligt. Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat
reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Yeshua
voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq hogepriester geworden in eeuwigheid.” (,yrbi
Iv’rim [Hebreeën]
6:17-20). Als hogepriester naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq
is Yeshua voor ons als voorloper door het
voorhangsel binnengegaan in het heilige der heiligen met de bedoeling dat wij
Hem daarin zouden volgen, want het voorhangsel is nu gescheurd en heeft voor
ons de weg vrijgemaakt en als er een koninklijke hogepriester is dan moeten er
ook koninklijke priesters zijn. Reeds vóór de instelling van het levitische
priesterschap heeft de Eeuwige via Moshe aan de
Israëlieten laten weten dat zij voor Hem een koninkrijk van priesters zouden
zijn: “Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij
luistert en Mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom
zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van
priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de
Israëlieten spreken zult.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 19:5-6). Door het
ultieme offer van Yeshua
vormen nu echter alle nieuwtestamentische gelovigen uit alle rassen en volken
ongeacht hun etnische afkomst tezamen met de gelovige Israëlieten een heilige
natie en bekleden een koninklijk priesterschap en onderscheiden zich daardoor
van hun ongelovige volksgenoten: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht,
een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk G’de ten
eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis
geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter
G’ds volk, eens zonder ontferming, nu in Zijn ontferming aangenomen.” (1
Petrus 2:9-10). Voordat zij de G’d van Israël leerden kennen en door de Joodse
Messias gekocht en betaald werden met Zijn bloed maakten de gelovigen uit de
volken geen deel uit van G’ds volk, maar behoorden tot de heidenen. Nu echter
maken ook zij deel uit van het koninkrijk van priesters en vormen samen
met Israël een heilig volk onder het hogepriesterschap van Yeshua naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq.
De schrijver van de Hebreeënbrief begint hoofdstuk 7 met de historische informatie over deze mysterieuze priesterkoning vanuit ty>arb B’reshit [Genesis] 14, gaat daarna uitgebreid in op de verhevenheid van diens persoon en legt vervolgens uit wat het priesterschap naar de wijze van Mal’ki-Tzedeq precies inhoudt: “Want deze Mal’ki-Tzedeq, koning van Shalem, priester van ]vyli9la El El’yon [de allerhoogste G’d], die Av’raham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, aan wie ook Av’raham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging van zijn naam: qdj !lm Melech Tzedeq [Koning der gerechtigheid], vervolgens ook: ,l> !lm Melech Shalem [Koning van Salem], dat is: ,vl>h !lm Melech haShalom [Koning des vredes ofwel Vredevorst]; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van G’d gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos. Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de aartsvader Av’raham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit (dát woord staat niet in de grondtekst, maar is door de vertalers toegevoegd, want in het Grieks staat evenals in het Hebreeuws gewoon ‘alles’. Av’raham gaf dus zoals ik reeds eerder heb uitgelegd niet de tiende van de buit, maar van zijn eigen bezit). Nu hebben zij, die uit de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de Tora wel de opdracht tienden te heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van Av’raham zijn voortgekomen; maar hij, die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Av’raham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. Nu is het onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Av’raham aan het tiendrecht van een ander onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Mal’ki-Tzedeq deze tegemoet kwam. Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had (immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen), waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aharon [Aäron] is? Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet (of beter gezegd van de wetsbepalingen met betrekking tot het priesterschap). Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Yehuda [Juda] is gesproten, ten aanzien van welke stam Moshe met geen woord van priesters gerept heeft. En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Mal’ki-Tzedeq een andere priester opstaat, die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven. Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq.” (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 7:1-17). Vers 3 wijst duidelijk in de richting van een zogeheten christofanie, dat wil zeggen een verschijning van de Mashiach, toch de heersende opvatting is tegenwoordig dat dit op grond van vers 15 niet mogelijk zou zijn omdat daar staat dat Yeshua slechts hogepriester is naar het evenbeeld van Mal’ki-Tzedeq en dus niet Mal’ki-Tzedeq zelf. Een ander argument is de passage in vers 3 waarin staat dat Mal’ki-Tzedeq aan de Zoon van G’d gelijkgesteld was, maar niet dat hij de Zoon van G’d zou zijn. Door het ontbreken van concrete gegevens omtrent zijn geboorte en overlijden had zowel zijn leven alsook zijn priesterschap geen begin en geen einde en daarin zou hij dus de Zoon van G’d uitbeelden, niet meer dan dat. Volgens de meeste hedendaagse theologen hoeft het “zonder vader, zonder moeder en zonder geslachtsregister” niet in te houden dat hij niet geboren zou zijn echt geen nakomelingen gehad zou hebben of dat de schrijver van de Hebreeënbrief daadwerkelijk in een bovennatuurlijke afkomst van Mal’ki-Tzedeq geloofd zou hebben en daarom zou het een misverstand zijn te menen dat deze priesterkoning een christofanie zou zijn. Volgens hen was hij een historisch figuur die echt geleefd heeft, hoogstwaarschijnlijk gewoon een Kanaäniet die de ware G’d gediend zou hebben. Ik vind dit een zwak argument, want dat zou betekenen dat een heidense priester aan de Zoon van G’d gelijkgesteld zou zijn en dat de Mashiach van Israël hogepriester zou zijn naar de ordening van een heidense koning terwijl de Bijbel ons juist leert dat het heil uit de Joden komt! Bovendien lijkt het mij ook niet echt geloofwaardig dat een heiden in de Tora een hogere positie zou innemen dan onze aartsvader Av’raham, die door G’d zelf Zijn vriend genoemd werd! Neen, ik twijfel er geen seconde aan dat Malki-Tzedeq niemand anders is dan de Mashiach, die toen bij Av’raham gekomen is, want Yeshua heeft immers zelf gezegd, dat Hij Av’raham persoonlijk ontmoet heeft, terwijl er vele eeuwen lagen tussen het aardse leven van Yeshua en dat van Av’raham. Yeshua zei: “Uw vader Av’raham heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd. De Joden dan zeiden tot Hem: Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Gij Av’raham gezien? Yeshua zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Av’raham was, ben ik.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 8:56-57). Wanneer heeft dus die ontmoeting tussen Av’raham en Yeshua plaats gevonden? Ik geloof twee keer! De eerste keer toen Hij in de gedaante van Malki-Tzedeq brood en wijn (teken van het Avondmaal!) bracht voor Av’raham, en de tweede keer bij de terebinten: “En de Eeuwige verscheen aan hem bij de terebinten van Mam’re, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde; en hij zeide: Mijn Heer, indien ik Uw genegenheid gewonnen heb, ga dan niet aan Uw knecht voorbij.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 18:1-3). Av’raham moest dus die mysterieuze Gast reeds eerder hebben ontmoet en Hem als Koning hebben herkend, want anders zou hij zich zeker niet voor Hem hebben neergebogen en zijn Gast “Heer” en zichzelf “knecht” genoemd hebben, want dat doe je toch niet voor een wildvreemde? Bovendien wordt er gesproken over drie mannen, maar Av’raham zei niet: “mijne heren”, meervoud, maar: “mijn Heer”, enkelvoud! Dus moest hij zijn Gast herkend hebben! Hij moest Hem, G'd in menselijke gedaante, dus reeds eerder ontmoet hebben: Malki-Tzedeq, Yeshua! En dan is er nog een heel belangrijke aanwijzing: Av’raham gaf aan Malki-Tzedeq de tienden van alles wat hij bezat. Dit kan gezien worden als een erkenning van diens positie, want de hogere zegent en de lagere geeft. Men zou daar echter ook uit kunnen concluderen dat Av’raham in Malki-Tzedeq geen mens maar een G’ddelijke verschijning zag, want hoe kon Av’raham immers weten dat Malki-Tzedeq zo hoog verheven was in vergelijking met de overige koningen die hij in het Koningsdal ontmoette? Zou hij zomaar aan een wildvreemde priester zijn tienden geven? Waarom zou hij überhaupt zijn tienden aan een priester geven? Het gebod om de tienden aan de Kohanim te geven werd toch pas vele eeuwen later aan Moshe gegeven? De enige logische verklaring is volgens mij, dat Av’raham op de ene of andere wijze aanvoelde dat Malki-Tzedeq G’d zelf is. Hij wordt de Koning der Gerechtigheid genoemd, de Vredevorst, en Hij is zonder begin van dagen of einde des levens, Hij is de Eeuwige! Yeshua is voor ons als voorloper binnengegaan in het heilige der heiligen en is naar de ordening van Mal’ki-Tzedeq hogepriester in eeuwigheid. Laten wij Hem volgen en ter eer en glorie van Zijn grote Naam een koninklijk priesterschap te zijn, een heilige natie, een volk G’d ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: wij, eens niet Zijn volk, nu echter G’ds volk, eens zonder ontferming, nu in Zijn ontferming aangenomen, amen!
Werner Stauder